Twee jaar na een bacteriebesmetting die Menno op een haar na fataal wordt, fietst hij samen met zijn vrouw Willemijn van Den Haag naar Santiago de Compostella: met dwarslaesie, hersenschade, ligfiets, rolstoel, een berg aan bagage en met humor, liefde en vastberadenheid. Wat volgt is een ongekende reis, zowel fysiek als emotioneel, waarin ze grenzen verleggen en nieuwe mogelijkheden ontdekken.
Fragment uit het boek Mijlpalen van Willemijn van Sandick.
Menno is in zijn leven nog nooit ergens voor teruggedeinsd. Hij begint onze tocht dan ook onbezorgd en laconiek, wellicht geholpen door een beetje hersenschade. Half april 2023 vertrekken we, op de kop af twee jaar nadat een bacterie hem tot een tweede leven
in een rolstoel dwong.
We staan op de stoep voor ons huis, waar Menno twee jaar eerder met een hijskraan door een bovenraam naar binnen werd getakeld om in onze slaapkamer te sterven. Als je te kwetsbaar bent, is het gevaarlijk op een schuine brancard: je spieren houden je botten in je lijf niet meer op hun plaats, en zo wordt zwaartekracht je vijand. Het ambulancepersoneel had daarom al in het ziekenhuis besloten de brandweer te bellen; dat is kennelijk normaal in dergelijke situaties. De brandweer komt dan met een hijskraan. En als de brandweer er is, komt ook de politie om de straat af te zetten. Onze straat is een drukke, doorgaande weg dus de hele buurt had last van het oponthoud. Al met al waren er veertien uniformen op de been om Menno naar zijn doodsbed te brengen.
De brancard ging gestaag omhoog, tussen de takken van de boom voor ons huis door, terwijl voorbijgangers verbijsterd toekeken. Ik stond volop in de regelstand en tegelijkertijd stroomden de tranen over mijn wangen. Daar vloog mijn man boven mijn hoofd door de lucht, om thuis te komen sterven. Het waren tranen van intense rouw. Ik had Menno gevraagd of de voorkamer beneden ook goed was. Maar hij was – nauwelijks zichtbaar – heel beslist geweest: naar boven. Bijna dood, maar nog even stellig als altijd. En je weigert iemand niet zijn wens als het gaat om de vraag: ‘Waar wil je sterven?’
Buren, collega’s en familie stonden bij elkaar op de stoep. Menno’s kinderen en de mijne waren met verdere familie en vriendinnen druk in de weer geweest om van onze slaapverdieping een ziekenhuis te maken: met een bed voor verpleging in de voorkamer, een ziekenhuisbed in de slaapkamer, bed ernaast voor mij, zuurstofflessen, materiaal voor verzorging van doorligwonden en een afzuigmachientje om de longen schoon te houden. Het hele huis was zo schoon gepoetst als het nog nooit was geweest. Zo hadden ze voor Menno het onmogelijke mogelijk gemaakt. Met een ladder waarop mijn jongste zoon lag, hadden de kinderen geoefend of het zou gaan met een brancard op de steile trap. Een even lief als mislukt experiment waar ik graag een foto van had gezien. Later vertelde Menno dat in zijn hoofd zijn zoon Bart de ambulancechauffeur was en zijn dochter Noortje de meerijdende verpleegkundige. Hij was echt ver heen. Vriendinnen Wineke en Jannetje, beiden voormalig huisarts, waren erbij die dag voor medische calamiteiten. De thuiszorg zou pas ’s nachts beschikbaar zijn. Ik had hen erbij gevraagd zodat Bart, die Verpleegkundige is, bij calamiteiten niet de rol van medicus zou hoeven te vervullen. Het was een zwaarbeladen dag geweest.
De start van onze fietstocht is ook groots, maar dan voornamelijk in mijn hoofd. Twee thuishulpen sjorren voor een laatste keer aan de spanbanden rond de bagage en koppelen de rolstoel met disselboom achter mijn fiets. We nemen afscheid van mijn jongste zoon Florentijn en van mijn collega Elisabeth. Zij zullen thuis en op kantoor onze zaken waarnemen, net zoals zij twee jaar eerder deden toen Menno van het ene op het andere moment ziek werd. Toen hij weken tussen leven en dood balanceerde, en daarna langzaam terugkwam in een nieuw leven met handicaps en kwalen, hielden zij mij uit de wind. En dat zullen zij nu weer doen.
ISBN 9789062227198